Altijd als ik in Amsterdam ben, komt er een soort melancholisch, raar gevoel over mij heen. Ik denk trager, kijk naar alle bijzondere mensen om me heen en heb constant het gevoel dat er iets staat te gebeuren van wereldbelang. Of in elk geval iets dat ‘s avonds op het achtuurjournaal komt. Langzaam dringt tot me door: binnenkort ben ik ook onderdeel van zo’n grote stad, al is het bij de onderburen.

Afgelopen maand was ik twee keer in Amsterdam. Er gebeurde niks benoemingswaardigs en zeker niets dat de NOS ’s avonds uitzond. Een enkele zwerver liep te schreeuwen. Twee meiden maakten in een winkelstraat luidkeels ruzie in een vreemde taal. Een jongen met een ketting met de Joodse Davidsster om vraagt of ik net als hij Artsen zonder Grenzen wil promoten. Toch heb ik steeds het gevoel dat er wat groots staat te gebeuren. Een bekende Nederlander die zomaar langs kan komen. Een schietincident op centraal. Er gebeurt, gelukkig, niks.

Platteland vs city
Ik ben deels opgegroeid in de stad en deels op het Twentse platteland. Toen ik naar Tilburg verhuisde was de verhuizing zelf de tweede keer dat ik in de Brabantse stad was. Totaal nog zonder netwerk, vrienden of familie vertrok ik naar een stad die niet kende. Inmiddels ken ik een heel aantal mensen en weet ik de weg meestal zonder Google Maps te vinden. Het is een grote stad, de zesde grote stad van Nederland, maar het voelt zeker niet aan als bijvoorbeeld Amsterdam. De overgang naar Brussel zal dus een grote worden.

Buurten
Als een stad zo groot is als Brussel, dan praat je al snel in wijken. Zoals Amsterdammers bij de Indische-buurt ongetwijfeld associaties hebben, zo zullen Brusselaren Schaarbeek herkennen als die ene buurt met die en die kenmerken. Handig voor mij om alvast een beetje wegwijs te worden in de stad.

Bij het zoeken naar ‘kotten’ (oftewel kamers) werd er ook gecommuniceerd in wijken. Een huis dat in de buurt van Etterbeek ligt. Of een kot te huur in Koekelberg. Het had wat mij betreft net zo goed uit de Donald Duck kunnen komen. Ik ben gewend om over gewesten te praten. Enschede zuid bijvoorbeeld, daar heb ik een groot deel van mijn jeugd gewoond. Of Tilburg west, waar ik mijn eerste kamer had. Vanaf februari zal ik met de tram (in het vlaams ook precies uitgesproken zoals het er staat – tràm) of metro tussen de buurten moeten voortbewegen.

In mijn Tilburgse tuin staat een fiets. Zal ik die nodig hebben? Of zijn de straten tussen Koekelberg en Etterbeek niet geschikt om op te fietsen?

Est-ce que je parle déjà français? (Ja, dit komt uit Google Translate)
Ik erger me steeds vaker aan mijn smartphone die in het Frans ingesteld staat. Soms wil je even snel opzoeken hoe iets werkt in een app; niet eerst een taalcursus doen. Laatst moest ik mijn naam invullen in onze nieuwe verenigingsapp. Het bleek aardig lastig te vinden als de enige aanwijzingen in het Frans zijn… Met behulp van Google Translate kwam ik erachter dat ‘Changer le mot de passe’ ‘verander je wachtwoord’ betekent en dat ik onder het kopje ‘editer le profil’ mijn ‘prenom’ oftewel voornaam kon invullen. Ik stond op het punt die hele taal van mijn telefoon te gooien, maar kwam tot de conclusie dat dit juist de momenten zijn waarop iets te leren valt. Toch heb ik laatst de taal toch weer teruggezet naar Nederlands. Ik moest mijn Sonosbox opnieuw verbinden met het netwerk en zoiets ingewikkelds kan ik toch echt beter in het Nederlands

Verder lees ik nog regelmatig Le Soir, de Franstalige Belgische nieuwssite. Lezen met een context gaat me redelijk goed af, zeker wat nieuws betreft. Maar het echt spreken? Nee, dat komt hopelijk in de praktijk…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *